JURYRAPPORT

JURYRAPPORT 2012

De jury van de VSB Poëzieprijs 2012 heeft zich met groot genoegen gebogen over de 122 ingezonden dichtbundels die tussen 1 september 2010 en 31 augustus 2011 verschenen. Naast nieuwe titels van vertrouwde namen bevatte de oogst een aantal sterke debuten. Opvallend is het grote aandeel doorgecomponeerde bundels, die veelal een opmerkelijke thematische overeenkomst hebben: relaties, familie en religie. Ook neemt de jury in sommige bundels een wending naar het metafysische waar. De problematiek van schijn en werkelijkheid lijkt minder urgent te worden. Daarvoor in de plaats komen meer existentiële vragen. Voorzichtig nemen de dichters een werkelijkheid mee in hun poëzie, waarbij niet meer het ‘ik’ centraal staat, maar de verhouding tot de gemeenschap. De dichters van nu lijken zich minder terug te trekken in hun poëtische cocon; zij treden de wereld tegemoet.

De jury, bestaande uit Astrid Lampe, Ton Naaijkens, Ester Naomi Perquin, Hans Vandevoorde en juryvoorzitter Kathleen Ferrier, presenteert hier de toelichting op haar nominatie in oktober 2011 van de bundels van Peter Ghyssaert, Jan Lauwereyns, Willem Jan Otten, Erik Spinoy en Anne Vegter.

Peter Ghyssaert – Ezelskaakbeen
Uitgeverij Atlas © 2011

Ezelskaakbeen van Peter Ghyssaert voert de lezer een merkwaardige concertzaal in. De stoelen zijn er weliswaar van rood velours, het licht sprankelt, de musici staan klaar – alles ademt een sfeer van ambacht en concentratie – maar al spoedig klinken er mysterieuze bijgeluiden. Er ratelt een populier, een ingesproken boodschap. Een man houdt een gesprongen lamp bij zijn oor. ‘Ritseling. Fluistering.’ De bezoeker schuift wat in zijn stoel, nestelt zich zo goed als mogelijk is tussen de armleuningen maar voelt zich niet meer geheel comfortabel. Desondanks maakt hij zich op voor schoonheid en schoonheid is wat hij krijgt, wanneer hij luistert: er is een dirigent van formaat aan het werk, een man met een feilloos gevoel voor klank en ritme. Er zijn snelle, vluchtige stukken die volgen op trage, slepende passages. ‘Het dralen van een beweging.’ Er zijn stiltes die zinderen van suggestie, zoals in de prachtige reeks prozagedichten ‘Onze-Lieve-Heer van Dementie’. ‘…Op de leeftijd die je hebt bereikt wil niemand je nog zoenen. Alleen vrijblijvend met je spelen.’ En in ‘Miljoenen dochtertjes van zon’ ruimt Ghyssaert plaats in voor een indrukwekkende, tedere terughoudendheid: ‘…je leek dichtbij, of ik je kon bedekken met een handgemaakte vlag’. Het heldere licht in de concertzaal dooft soms en de instrumenten glanzen hooguit bij ‘kleine, bedeesde lampen’. Schijnbare lichtvoetigheid blijkt bij scherper luisteren steeds complex en raadselachtig. De muziek, het spel én de veelzijdigheid maken van Ezelskaakbeen niet alleen ‘een ster, vervelend, onbenoembaar en onsterfelijk als een mug’ maar vooral: ‘een goede oogst, geweldig zelfs’.
 

Jan Lauwereyns – Hemelsblauw
Uitgeverij De Bezige Bij Amsterdam © 2011

Een uniek en zinvol samenspel van proeven, luisteren en voelen, noemde Jan Lauwereyns de poëzie, een spel ‘waarbij het hart een cruciale rol speelt’. De componenten smaak, geluid en hart verenigen zich in het Japanse karakter voor betekenis. Het is een statement – het streven hart, betekenis en gedicht te laten samenvallen in een mengeling van verschillende zintuiglijke ervaringen – dat je verbaasd bent te horen uit de mond van iemand die de kost verdient als neurowetenschapper in het Japanse Fukuoka. Lauwereyns specialiseert zich in waarneming, zowel in zijn vak als in zijn poëzie. In alle regels, dubbele regels en omschrijvingen van de vijf afdelingen in de bundel

Hemelsblauw wordt dat duidelijk. Je voelt het in de intellectuele, morele en emotionele verkenning van de onderwerpen: de kleuren van de regenboog en de verhalen van een filmregisseur en dichteres die erop geprojecteerd worden, de lichaamsbeharing van slangen, gorilla’s en mensen, meneer Nakazato die zijn leven lang een boom verzorgt, een merel die Merel heet. En bij die waarnemingen, kort gedaan, soms traag overvloeiend in een volgende waarneming dan weer abrupt ingevoegd als iets onverwachts en volkomen nieuws, worden de grotere thema’s even aangestipt. De dichter praat over vergankelijkheid, de zorg voor de omgeving, het respect van mensen voor elkaar, het belang van de poëzie, de verhouding tussen individu en gemeenschap, zonder deze thema’s als thema’s te behandelen. Wat telt is de ervaring die via taal binnenkomt langs alle zintuiglijke kanalen die je ter beschikking hebt. In Hemelsblauw wordt geprobeerd de poëzie boven het persoonlijke uit te tillen, terwijl tegelijk beseft wordt dat dit niet kan lukken.

 

Willen Jan Otten – Gerichte gedichten
Uitgeverij Van Oorschot © 2011

De Gerichte gedichten van Willem Jan Otten vormen een waagstuk, het is een bundel die je onontkoombaar, onbegonnen en ongedaan kunt noemen. Het zijn ook adjectieven die door de dichter gebruikt worden om de aangesproken lezer van de gedichten te benoemen. Gewaagd is het buitengewoon particuliere proces dat ermee gemoeid is: de lezer van de gedichten valt er samen met de grote Lezer van het bestaan. Dat levert ongemakkelijkheden op en wrijvingen, irritaties. Otten verbergt zijn woede niet, nergens vervlakt het zo gezochte gesprek tot lege aanzegging of een ijl ritueel. Als dat nodig is, wordt de taal tot in het uiterste opgerekt, ook in regels die traditioneel inzetten (‘U was al lezer dezes toen ik aap noot mies.’). Otten schrijft op dichters als Nijhoff door, wetende van alle avant-garde die na hem kwam. Het spreken zelf – of dat nu de lezer of de Lezer geldt – wordt tot onderwerp, met de pijn, zelfspot en blasfemie die daarmee gepaard gaan: ‘U hebt mij gesneden / naar uw stilte. Waarom mij dan niet stom, / maar juist van almaar taal gemaakt.’ De Gerichte gedichten zijn confronterend vanwege de onverschrokken, soms vinnige onmodieusheid waarmee de dichter zich teweer stelt tegen de vloed aan woorden die het dagelijks bestaan inhoudt. In de bundel staat een aantal gedichten dat deel uitmaakt van een curriculum vitae, of althans de projectie ervan. Opvallend is vooral de telkens terugkerende relatie met de vader, bijzonder vooral in de reeks die ‘Mankes’ heet: de vader in een dubbelrol, aangesproken met zowel kleine letter als hoofdletter. In de bundel worden risico’s genomen: Ottens Gerichte gedichten vormen een oprecht avontuur dat leeft van de spanning tussen losgelaten worden en zich overgeven, gevoeld in de tergend aanwezige actualiteit van alledag.
 

Erik Spinoy – Dode kamer
Uitgeverij De Bezige Bij Antwerpen © 2011

Er bestaat een verbluffende poëtische video-installatie van de Belg David Claerhout waarin een zwart-witfoto van een klaslokaal geprojecteerd wordt. Achteraan op de muur beweegt er niets dan een schaduw. Die suggereert een boom waar enkele van de jongetjes op de foto naar lijken te kijken, verlangend om buiten te gaan spelen op deze zonnige dag. Even zeldzaam bezonnen, afgemeten en barstend van ingehouden melancholie is de poëzie van

Dode kamer en evenzeer is zij niet wat ze suggereert. De eerste cyclus, ergens gesitueerd in een Zuid-Amerikaans land, is bedrieglijk beschrijvend. Kleine verschuivingen in het perspectief – een wagenziek makende weg, een brandend restaurant – tillen de gedichten van reispoëzie naar beklemmende waarnemingen. De tweede afdeling lijkt te leunen op het werk van de licht- en objectkunstenares Ann Veronica Janssens, maar reflecteert in feite over eigen onvervuldheid, de afwezigheid van natuurlijk leven en het verlangen naar plotse, nieuwe verschieten. De ‘glanzende beelden uit de kindertijd’ die de flaptekst voor de derde reeks belooft, blijken eerder beelden in halftoon: het zijn zacht bewegende foto’s van schijndode dingen: breekbare botten, exploderende knikkers, een glimmende stalen kassa in een stil zaterdags huis. De lezer zal voelen dat hem in de schijnbaar levenloze dingen iets wezenlijk alarmerends voorschemert: een dreiging van de echte dood.

Is een dode kamer een kamer zonder echo,

Dode kamer is een echokamer van exquise kleuradjectieven (tussen hagelwit en bloedrood), subtiele klankeffecten en motieven (zoals het cijfer drie). Opmerkelijk is hoe de cycli als drie convergerende lichtbundels op elkaar inwerken: de raadselachtige filosofie van deel twee gooit haar schaduw naar voren en naar achter; de pijnlijke nostalgie van deel drie zwermt uit over de delen één en twee en de unheimliche lichttrillingen van het begin vloeien verder tot aan het einde. Dode kamer is een bundel waarin elk woord, elke regel zonder aseptisch of esthetisch te zijn zuivere lyriek is geworden. Of toch net niet.
 

Anne Vegter – Eiland berg gletsjer
Uitgeverij Querido © 2011

Is er geknoeid met de barcode op een pak vanillevla dan kan de scanner het product niet meer lezen. In het gunstigste geval brengt het de kassahulp in verlegenheid en krijg je het pak zuivel als breuk mee naar huis. Maar wie vertrouwt de vla nog? (

'Gisteren zei iemand het past of fluit ernaar.') Met de poëzie van Eiland berg gletsjer werkt dit anders. Er is zichtbaar geknoeid met de streepjescode en toch, de scanner leest het product probleemloos uit. De kassabon laten we zitten. Jammer dat het secuur natellen van alle boodschappen in onbruik raakte. We zouden vreemd staan te kijken wanneer we ontdekten dat het pak gele vla als eeuwige borstvoeding op de bon werd aangeslagen. Hoeveel poëzie past er in een koelkast. Hoeveel oorlog past er in een diepte.

'Alsof je niet van je dingen houdt', 

zegt een moeder tegen haar zoon. (Het gedicht staat vrij vooraan in de bundel.) Schrijnend alledaags zijn het juist dit soort terloopse afwegingen die autoriteit geven aan de poëzie van Anne Vegter. Slordigheid is niet kieskeurig. Veronachtzaming kan overal inkruipen: in dingen en mensen. Eiland berg gletsjer laat zich lezen als een gevoelige persoonlijke bundel over relaties. Toch dreigender dan het op de klippen lopen van relatie(s) legt deze poëzie verhoudingen bloot. De wil te blijven vertrekken vanuit de menselijke maat, lijkt van alle goede voornemens de meest onzinnige. Misschien hebben we geen keuze en heet het beschaving. Iedere dag opnieuw. De tsunami of de gladiolen.

De jury van de VSB Poëzieprijs 2012

Kathleen Ferrier (voorzitter)
Astrid Lampe
Ton Naaijkens
Ester Naomi Perquin
Hans Vandevoorde