JURYRAPPORT



JURYRAPPORT 2015

Deel uitmaken van de jury van de VSB Poëzieprijs is een probaat middel tegen
cultuurpessimisme. Wie last heeft van doemgedachten over ontlezing, het einde van het boek of
van de literatuur als instituut, is van harte uitgenodigd om eens mee te kijken naar de 85
centimeter hoge stapel poëzie die de juryleden met het oog op de VSB Poëzieprijs 2015 hebben
gelezen.
 
Daar zat veel jong talent tussen, met een eerste of tweede bundel van een verbluffend niveau.
Hemelbestormers zijn ze niet, deze nieuwe generatie - van vernieuwingsdrift is geen sprake,
maar wel van humor, oorspronkelijkheid en kwaliteit. Verstaanbaarheid en communicatie lijken
belangrijker geworden, waarmee niet gezegd is dat deze poëzie dicht bij huis blijft. Ook van
meer gevestigde namen verschenen er bundels die de faam van de dichters bevestigden en
verder versterkten. De jury was zeer onder de indruk van de reikwijdte van veel van deze
gedichten.
 
Deed het al serieus pijn om tot een lijst van tien bundels te komen, het bepalen van de definitieve
shortlist van vijf genomineerden zorgde werkelijk voor spanning binnen de jury. Veel liever
hadden we zes of zeven bundels op de lijst geplaatst. Die rijkheid van de oogst is veelbelovend
voor de komende jaren en voor de volgende edities van de VSB Poëzieprijs.
 
We zijn trots op de shortlist, met twee vrouwen en drie mannen, één Vlaming en vier
Nederlanders, twee veertigers, twee vijftigers en één zestiger, maar vooral met vijf uitstekende
bundels. De jury van de VSB Poëzieprijs 2015 nomineerde uit honderd en zeven ingezonden
bundels die allen verschenen tussen 1 september 2013 en 31 augustus 2014 de bundels
Vlinderslag van Piet Gerbrandy, Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen, Archaïsch de
dieren van Hester Knibbe, Mens Dier ding van Alfred Schaffer en Wij totale vlam van Peter
Verhelst. We zijn auteurs én uitgevers bijzonder dankbaar voor deze prachtige poëzie.
 
 
Piet Gerbrandy – Vlinderslag (Atlas Contact)

Vlinderslag is een hoogtepunt in het oeuvre van een dichter die bekend staat om poëzie die
volstrekt eigenzinnig is, rondborstig en zinnelijk, en tegelijk heel klassiek. Gerbrandy knevelt de
taal, in afwisselend proza- en lyrische gedichten, zoals het hem uitkomt en smelt die met
destructieve durf om tot wat hij wil, zodat hij een wereld schept die tegelijk alledaags en absurd
is. Drie heel diverse stemmen spreken de lezer toe. Er is een ingetogen verteller die het onder
meer heeft over zijn fascinatie voor een mysterieuze vrouw, een lyricus die uitbundig en soms
baldadig het volledige leven bezingt, en een koele commentator, wiens uitspraken een soort
ready mades zijn, geknipt uit kranten, reclamefolders, maar ook uit Heinrich Heine. Die korte
quotes haken gevat of verrassend in op het (proza)gedicht dat eraan voorafgaat. In Vlinderslag is
er verlangen, er zijn treinen die stilstaan en een bijna mooie vrouw op een perron, en er is vooral
een willen dat iets zoekt om zich aan te hechten. Elk gedicht is fris en onpeilbaar. Deze poëzie
lezen is een feest door de humor – ‘ staande meeuwen wekken zelden een ontspannen indruk’ –,
de vitaliteit en het vernuft waarmee de dichter te werk gaat, en ook door de zoektocht naar zin,
van 'vorm op zoek naar vrijheid of bestendiging'.
 
 
Sasja Janssen – Ik trek mijn species aan (Querido)
In deze uitdagend beklijvende bundel heeft Sasja Janssen allereerst 'genoeg over ik gedicht'. Wat
overblijft, is groter dan het ik en bovendien uitermate geschikt voor de poëzie: een talige
zoektocht naar alle begin en alle manieren van leven. Een alternatieve genesis met en in 'taal die
barstte waar hij maar kon'. Verder verkent Janssen wat het is tot een soort te behoren, meer
bepaald de species vrouw. Een identiteit die moeizaam wordt aangepast en waarvan de man de
maat neemt als een kleermaker, met agressieve steken. Sasja Janssen hanteert een tastbare en
stoffelijke taal waarin alles zich afspeelt ter hoogte van de hals. Zowel het spreken, het minnen
als de dood in het woud. In een fabelachtig echt en gewelddadig spel tussen begin en einde en
alles daar weer tussenin, worden soorten van mensen geboren die vervolgens trachten te
overleven. Misschien is seksualiteit het enige houvast, of in elk geval een benadering van
identiteit. Zonder de soortnaam vrouw, is er geen beginnen aan. En dan nog: 'Ik red het niet, dat
gedoe over leven en dood'. De zinnen in deze bundel prikkelen, pesten, doen lachen en nadenken
in een perfect aan elkaar geregen korset van woorden. Tot alles uiteraard weer opnieuw kan
beginnen, ‘nog een keer nog een keer’. Ik trek mijn species aan is een meer dan uitzonderlijke
bundel van een uniek vrouwelijke stem.
 
 
Hester Knibbe – Archaïsch de dieren (Arbeiderspers)
Is poëzie eigenlijk wel de plaats om grote vragen te stellen? Waartoe we op aarde zijn, hoe we
kunnen leven met zoveel 'wonden op de wereld' en hoe we onze doden een plaats moeten
geven; wie zulke kwesties aan de orde stelt riskeert het bezwijken van breekbare versregels
onder hun eigen gewicht.
 
Maar Hester Knibbe kan het, dank zij haar voldragen pen. Zonder dat haar gedichten topzwaar
worden, stelt ze de grote levensvragen erin aan de orde. Alsof het de gewoonste zaak van de
wereld is, begint Knibbe in de eerste reeks van Archaïsch de dieren gewoon bij Adam en Eva,
en komt ze via het al te schel verlichte heden weer bij Abel en Kain of bij de oude Grieken
terecht. Dit alles niet uit hang naar het oude, maar uit 'wil tot weten'.
 
Maar het weten is ook wat ons uit het paradijs heeft gejaagd. Met het weten komt al snel de
angst en de twijfel, en met de twijfel komen ook gaten in de taal die de dichter ter beschikking
staat. Dus keert ze terug naar eenvoudige taal, die van een eerste spreken; klankrijk, zangerig,
soms nog haperend en kinderlijk: 'Dood// kun je bedenken maar nooit echt weten'.
 
De mythische wereld die Knibbe herschept, blijkt uiteindelijk bitter weinig betekenis te kunnen
bieden. De goden geven niet thuis ondanks onze behoefte aan hun zegen. Alleen de taal is
gedienstig; als er al mythische verbanden worden aangetroffen in deze archaïsche wereld is het
tussen klanken.
 
Troost blijkt louter te vinden uit maar doorgaan: met lammeren offeren of met kinderen baren,
die je koestert in 'lievelingshanden' en dan 'hup de wereld in met je hart// dat men afpakken
kan'. Vooral de moeders in deze bundel zorgen voor die voortgang, moeders die zogen, vrezen,
dromen en so wie so schuld hebben, al is het maar aan de te strakke vlechtjes van hun
dochtertjes.
 
De jury was unaniem in de bewondering voor Archaïsch de dieren. Voor de stevige, klankrijke
en toch hoogst hedendaagse vorm van de gedichten, en voor de sterke samenhang en dwingende
stuwende kracht van deze belangrijke bundel, die de mens tot zijn ontgoochelende kern
terugbrengt en vervolgens warm omhelst.
 
 
Alfred Schaffer – Mens Dier Ding (De Bezige Bij)
Middels een uitgekiende collage van zeer diverse tekstsoorten – een brief, een live
rechtbankverslag, een introductievideo, een tv-show, een quiz, het relaas van een bezoek aan de
huisarts, een interview met een voetsoldaat, een reeks dagdroomfragmenten – brengt Schaffer
de oude Zoeloekrijger Sjaka Zoeloe tot leven. De lezer krijgt allerlei puzzelstukken aangereikt en
ontdekt gaandeweg wie Sjaka is en hoe hij zijn tragische lot tegemoet snelt.
 
De verrassende, vaak humoristische en soms erg cynische prozafragmenten – ‘Ik wil me niet
verdedigen, natuurlijk valt er / nu en dan een dode, dat komt omdat het oorlog is!’ – worden
afgewisseld met ontroerende lyrische passages die een inkijk bieden in de complexe psyche van
Sjaka.
 
Deze bundel onderzoekt op indringende wijze fenomenen als ‘macht’, ‘geweld’, ‘roes’ en ‘mythe’.
Schaffer toont aan dat de schotten tussen Zoeloekoning en asielzoeker, tussen mens, dier en
ding, maar ook die tussen literaire genres, vaak flinterdun zijn. Ritmische, klankrijke verzen en
duizelingwekkende beelden zorgen daarbij op elke bladzijde voor taalvuurwerk: ‘Drie hyena’s
jagen hard als een alarm achter hem aan / onder hun poten spatten lichtfonteintjes op.’
 
 
Peter Verhelst – Wij totale vlam (Prometheus)
Wij totale vlam betekent een nieuw hoogtepunt in het poëtisch oeuvre van Peter Verhelst. In
deze rijke, spirituele bundel verkent de dichter grote thema’s zoals liefde en haar onlosmakelijke
wederhelften afscheid en vernietiging. Op deze reis met de geliefde laat hij ‘alle hoeken van elke
betekenis’ dansen - net als de vuurvliegjes op de cover. Het ontbreekt hem aan woorden en hij
strooit de ‘...’ als gedachtenconfetti in het rond. Toch doet de dichter een grootse en lyrische
poging het nu en de eeuwigheid te begrijpen, te benaderen en te beschrijven.
 
Peter Verhelst grijpt naar de sterren en de maan, zoals steeds volop kijkend in het licht. In een
eeuwigdurende poging om het moment en het ultieme te vatten in taal. Een zoektocht naar het
grootse in de kleinste gebaren, een oogopslag, een gespannen spier in de rug, een samenbinden
van het haar. De onmogelijke opdracht (samen) te vallen, in elkaar, in de tijd en met zichzelf. De
wens ‘die ene plek’ te bereiken.
 
Intussen vlamt door de bundel het herhaalde verlangen naar schoonheid van het moment, tegen
het vergeten van de tedere dingen. Peter Verhelst bewijst met Wij totale vlam opnieuw zijn
zeldzame talent om het Nederlands te laten zingen. Kortom: ‘Het detail waar het op aankomt /
Een seconde lang’. En dat dan een hele bundel lang.
 
 
 
Jury VSB Poëzieprijs 2015
Peter Vandermeersch
Yra van Dijk
Ruth Joos
Antoine de Kom
Peter Theunynck