JURYRAPPORT





JURYRAPPORT

Pieter Boskma, Zelf 
Amsterdam 2014, De Bezige Bij
In Zelf doet Pieter Boskma een buitengewone poging om te verwoorden hoe de rouw om zijn vrouw doorwerkt tot in de kern van zijn dichterlijke persoonlijkheid. De mens lijdt, maar de dichter volgt de taal: ‘En het blijft raar dat desondanks de verzen blijven komen, / het is hen blijkbaar om het even hoe het mij vergaat’. Zoekend naar een uitgang uit de rouw bewandelt Boskma een veelsporig ‘Padenpad’ in de vorm van 39 zelfportretten. Zo neemt zijn dichterschap de uiteenlopende vormen aan van een boom, een kanarie, Slauerhoff en leegte. De dichterlijke taal voegt zich gretig naar de nieuwe persoonlijkheden, maar voor de mens ligt het anders.
Zelf speelt zich af in het overgangsgebied tussen dichter en mens, taal en zelf. Boskma beroept zich op de eeuwenoude ethische wijsheden die liggen opgeslagen in de klassieke genres van klaagzang en epos. Hij gebruikt ritmewisselingen en stijlfiguren om de artificialiteit van het zelfbegrip uit te lichten. Uit de gedichten spreekt tederheid, maar ook de wreedheid van een op zichzelf gerichte herscheppingsdrang. De dichter stelt zich open naar de wereld, met onherroepelijke gevolgen voor de mens. In dit verband moeten ook de ontluikende lustgevoelens worden gezien. Ze provoceren de normen voor rouw, maar verbeelden ook de poëtische scheppingsdrang: ‘Daarom houdt een dichter dus van zulke jonge vrouwen, / ze doen hem denken aan het vers dat hij nog moet schrijven’. De wordingsprocessen in al hun facetten hebben een geneeskrachtige uitwerking op de dichter, al gaat het einde van de rouw gepaard met een afscheid van de persoon die zijn vrouw liefhad. Wat overblijft is een ‘verbeeld’ of poëtisch zelf dat niet vastligt, maar zich voortbeweegt met een ‘in zichzelf besloten gang van schoonheid en voltooiing.’   

 

 

Geert van Istendael, Het was wat was
Amsterdam/Antwerpen 2015, Atlas Contact
In het rijke en veelzijdige oeuvre van journalist, prozaschrijver en essayist Geert van Istendael neemt ook de poëzie een vaste plaats in. Om de zoveel jaar, maar niet al te vaak, verschijnt er ook een bundel met gedichten, en die verrassen telkens weer door hun heldere taal. Het is een taal die bij oppervlakkige lezing eenvoud en eenduidigheid zou kunnen suggereren. De vier afdelingen van Van Istendaels jongste bundel, Het was wat was, zijn bijvoorbeeld eenvoudigweg ‘Ding en dier’, ‘Bomen’, ‘Mensen’ en ‘Geld’ getiteld. De dichter beschrijft in ‘Ding en dier’ nauwkeurig een brievenweger, een porseleinen kapstokje of een schoenendoos en vraagt zich tegelijkertijd af wat die dingen nog meer zijn dan gebruiksvoorwerpen. In de volgende cyclus geeft hij bomen een plek in liederen, sagen en sprookjes, maar zonder een bomenknuffelaar te worden. In de reeks ‘Mensen’ luistert hij nieuwsgierig naar personen uit zijn omgeving en schetst zo niet alleen boeiende portretten maar thematiseert ook – met de eigen versie van het Vlaams die hij in deze gedichten creëert – zijn eigen primaire leef- en schrijfinstrument, de taal. Volgens Van Istendael – zo blijkt uit het citaat van zijn Zwitserse collega-dichter Philippe Jaccottet dat als motto voorin Het was wat was staat – heeft de dichter een taak: ‘hij wekt / al wat verloren dreigt te gaan als het inslaapt.’ En als we nog mochten denken dat we hier te maken hebben met kleine en idyllische thema’s, dan kunnen toch door het heldere en stevige gebaar van Van Istendaels teksten weten dat we met beide benen in de realiteit en het heden staan, zeker door de afsluitende cyclus van de bundel, ‘Geld’, die ons hardhandig, helder en geëngageerd confronteert met de actuele rol van het slijk der aarde.   

 

 

Ilja Leonard Pfeijffer, Idyllen 
Amsterdam 2015, Uitgeverij De Arbeiderspers
In Idyllen brengt Ilja Leonard Pfeijffer al zijn poëtische kracht, verlangen en meesterschap bij elkaar. In af en aan golvende, hoogst inventieve, rijmende alexandrijnen, vertolken deze poëtische ontboezemingen een klaagzang van een treurende dichter over de teloorgang van de wereld en de poëzie. Er spreekt een sterk verlangen uit naar de klassieke wereld die alleen nog in de verbeelding bestaat. ‘De nacht is aangezegd. De warre uren waaien/ als klamme lakens waarnaar hete handen graaien.’ De toon is krachtig, dwingend en obsessief, maar vaak genoeg wisselt hij dat af met momenten van zelfinzicht en verstilling. Pfeijffers opvattingen over mens en wereld zijn zwartgallig, cynisch vaak, maar nooit vrijblijvend. Hier moeten we het dus mee doen, met deze wereld, dat is de tragische teneur van dit werk. De bundel barst van de vondsten, van diepe en soms ook hoogst banale overpeinzingen, van verwijzingen naar de traditie van de poëzie. De dichter mengt het banale met het hogere, schrikt niet terug voor voortwoekerende enjambementen en hanteert een meeslepende metaforiek. Pfeijffer debatteert expliciet met de huidige dichtkunst, ook die van hem zelf. Bovendien is de gekozen vorm al op zich een argument tegen de huidige dichtkunst waarin het korte, rijmloze, ongestructureerde gedicht de boventoon voert.  De dichter roept op nieuwe wegen in te slaan, hij  geeft daarbij ook zichzelf over zijn eerdere werk de nodige vegen uit de pan.  Deze bundel zingt, knarst, fabuleert, droomt en barst uit zijn voegen van een nauwelijks te remmen dichterlijke droom.   

 

 

Toon Tellegen, De werkelijkheid 
Amsterdam 2014, Uitgeverij Querido
Wat is echt en wat niet meer dan een bedenksel dat wij voor waar verslijten?  In zijn bundel De werkelijkheid speelt Toon Tellegen ingenieus met onze zogenaamde zekerheden. Hij neemt abstracties als waarheid, liefde, wanhoop, medeleven, vertrouwen en angst onder de loep en laat zo een scala aan aannames de revue passeren. In het eerste gedicht, bijvoorbeeld, begint hij doortastend  met het scheppingsverhaal, maar zet deze oermythe volledig naar zijn hand: ‘In den beginne was er licht/ en God werd verblind,/ schiep mensen om het te doven, (…)’, fabuleert de dichter. Ook de mens lijkt niet zo’n succes, blijkt in het vervolg van de bundel. Tellegen is geen zachtzinnig dichter, meer eentje als in Een dichter, eentje die uithaalt:  ‘het was een lang en breedvoerig gedicht over de ware aard van de werkelijkheid,/ hij vermorzelde de witte alledaagsheid daarvan,/ (…)/ en het gedicht werd pijnlijk en veelzeggend,’. Op sublieme wijze draait Tellegen de zogenaamde werkelijkheid, onze mythes en stellingen telkens een halve slag en toont ons de keerzijde ervan of een aspect waaraan we niet direct zouden denken. Zo morrelt hij op een verontrustende manier aan wat wij de realiteit plegen te noemen, waardoor deze op losse schroeven komt te staan. Ze blijkt flinterdun, niet meer dan een verhaal dat wij onszelf en anderen vertellen en als waar accepteren. Met schijnbaar eenvoudige talige middelen, en met een verholen ironische ondertoon, slaagt hij erin een absurde, bedreigende of desolate wereld op te roepen waaraan we ons niet altijd kunnen onttrekken.  Of hij weet die dreiging en troosteloosheid juist te ontkrachten. Hoe divers de onderwerpen in deze bundel ook zijn, de obsessieve vraag naar wat werkelijk is, geeft aan de bundel een sterke thematische samenhang. 

 

 

Maud Vanhauwaert, Wij zijn evenwijdig
Amsterdam 2014, Uitgeverij Querido
Sommige dichters dichten voor de eeuwigheid, anderen voor de gelegenheid. En dan zijn er gelukkig ook nog dichters die zo goed dichten voor mensen hier en nu, dat ze morgen en zelfs overmorgen nog gelezen zullen worden. Zo’n trefzekere dichter is Maud Vanhauwaert. Haar tweede bundel Wij zijn evenwijdig bevat 184 tekstfragmenten waarvan de net genoemde titel het eerste is. Ze worden losjes met elkaar verbonden door een liggend streepje. Aldus ontstaat een reeks poëtische snapshots die iets doet oplichten van het leven in de grote stad aan het begin van de 21ste eeuw. Dat leven is superdivers; daarom zijn ook Vanhauwaerts tekstfragmenten superdivers. Ze variëren van kleine verhaaltjes tot één enkele zin. Aforistische kernachtigheid wordt afgewisseld met van weemoed doordrenkte humor, absurdisme en een enkele bewust flauwe grap. Uit die rapsodie treedt een persoonlijkheid naar voren die tegelijkertijd doet denken aan Raymond Queneaus vroegwijze meisje Zazie (een zekere vrijpostigheid, alsook een grote ontvankelijkheid voor het vreemde en ontregelende), Jacques Tati (heerlijk weerbarstige onaangepastheid) en Italo Calvino’s meneer Palomar (het onmogelijke verlangen naar vastigheid en structuur). Maar Maud Vanhauwaert  is toch vooral Maud Vanhauwaert: een dichter met een reiskoffer vol sterke beelden en een wispelturige logica. Daarmee weet ze een weldadige verwondering te wekken voor het meest banale. Bijvoorbeeld voor ‘de metro-massa, die, / zoals de zee pas breekt aan het oppervlak, / pas breekt en schuimt bovengronds_’ Of voor ‘een man met een baard. Ik vraag / ben je islamitisch. ‘Nee’ zegt hij ‘ik ben / verdrietig_’   

 

De jury van de VSB Poëzieprijs 2016 

Kees ’t Hart (voorzitter)
Jan Gielkens
Kris Humbeeck
Hester Knibbe
Marrigje Paijmans