WINNAAR 2011

WINNAAR 2011: ARMANDO

Laudatio voor Armando

De jury van de VSB Poëzieprijs 2011 is diep onder de indruk geraakt van de bundel van Armando, Gedichten 2009. Die is niet gemakkelijk. Het zijn zware thema’s die Armando aansnijdt en zijn poëtische enscenering van die thema’s is cryptisch, soms op het ondoordringbare af. Armando roept een wereld op die verloren is. Overal is dreiging en duisternis, een oorlog is net voorbij of zal zo weer beginnen. Hier is het openingsgedicht:

Licht
Terwijl  het licht zich probeert te 
    ontvouwen,  is de stad opstandig,
    de  verschrikking heeft zichzelf overleefd,
    het  einde nadert de onderdanen, 
    nadert  de onontkoombaarheid.
Het  grillige licht wil bezitten, 
    wil  veinzen,
    maar  het licht is machteloos,
    het  licht is ontmanteld.

Welke verschrikking het was die zichzelf overleefde wordt vaag gehouden. Wel is duidelijk dat de verschrikking uit de tijd is geraakt. Een echo uit het verleden, minder verschrikkelijk of misschien juist nog verschrikkelijker dan vroeger? Dat laatste, lijkt het, want: ‘het einde nadert de onderdanen’ – er is dus een land of rijk met onderdanen die het niet lang meer zullen maken. Het einde ‘nadert de onontkoombaarheid’, lijkt een variatie op de uitdrukking ‘het onontkoombare einde’. Als het einde de onontkoombaarheid nadert is alles onherroepelijk voorbij.

Het beeld van het licht dat niet schijnen kan domineert dit gedicht. Het begint en eindigt ermee. Het licht is gepersonifieerd – het wil zich ontvouwen. Het wil bezitten: wat in het licht komt te staan wordt zichtbaar. Het wil veinzen, dat er niets aan de hand is misschien, ‘maar het licht is machteloos, het licht is ontmanteld.’ Dit impliceert dat het licht niet tegen de duisternis op kan, dat het voorgoed donker zal zijn. Je hoort hier een intertekstuele echo van de befaamde regels van H. van Randwijk die in 1970 zijn aangebracht op een muur aan het Weteringplantsoen in Amsterdam: ‘een volk dat voor tirannen zwicht / zal meer dan lijf en goed verliezen / dan dooft het licht.’ Armando’s gedicht lijkt gesponnen te zijn uit die regels. Die hebben betrekking op de Tweede Wereldoorlog, maar tegelijk op alle oorlogen waar het mensen niet lukt het geweld tegen te gaan. Als openingsgedicht is ‘Het licht’ dan ook een statement, een poëtische agenda. Ik continueer Van Randwijks regels, zegt Armando ermee.

De Tweede Wereldoorlog ligt als een duistere afgrond in het midden van de twintigste eeuw. Mochten wij denken dat dit de laatste oorlog was, dan helpt Armando ons uit de droom. ‘Der Krieg wird nicht mehr erklärt sondern fortgesetzt. / Das Unerhörte is alltäglich geworden’, om met Ingeborg Bachmann te spreken. Armando is vaak cryptisch omdat hij iets wil zeggen wat bijna niet te zeggen valt. Wat hij steeds weer uitdrukt is dat de wreedheid, de destructiviteit van de mensen jegens zichzelf en elkaar nog steeds overal loert, gluurt, voortwoekert. Hij vergroot dat uit tot kosmische proporties. Hij benoemt het gevaar nooit concreet, maar betrekt ons in een haast paranoïde universum waarin de aanval weer aansluipt. Hij duidt aan dat er iets onomkeerbaars ophanden is, waardoor dat nog bedreigender en beklemmender wordt. Zijn kale teksten zijn doortrokken van een verzwijgen, van een afwezige aanwezigheid van kwaad. Armando toont de gevolgen van Iets, hij neemt je mee naar een ontzielde wereld. Met grote hardnekkigheid – alsof elk gedicht het laatste en meest definitieve zal zijn – herneemt hij steeds dezelfde thema’s: het landschap dat schuldig is, de dreiging, de kilte. Een wereld waarin zwart de voornaamste kleur is, waarin oorlog en geweld altijd aan­wezig zijn.

Armando is een hermetische dichter. Je moet moeite doen in zijn gesloten gedichten te komen: vaak ontglipt de betekenis of de richting waarin het vers gaat je net, maar juist dat heeft een functie voor het oproepen van het ongrijpbare raadsel van het kwaad. Het helpt wel om een aantal van Armando’s vaste procedures te herkennen. Zo is de personificatie een cruciaal beginsel in zijn gedichten. In het vers waarmee deze laudatio begon wordt het licht eerst vermenselijkt, voorzien van een eigen wil en vervolgens weer gedepersonifieerd. ‘Ontmanteld’ zeg je namelijk gewoonlijk van een huis, of een instelling, niet van een menselijk wezen. Als het licht wordt ontmanteld is het meteen ook van zijn menselijkheid ontdaan en weer ding geworden. Zo voltrekt de ontmanteling van het licht zich hier op twee manieren: er wordt over gesproken maar ze wordt ook poëtisch voltrokken.

Voortdurend brengt Armando niet-menselijke dingen tot leven. ‘het bos beraamt’ schrijft hij, ‘hoestende voertuigen banen zich een weg’ (35), er wordt tot bloedens toe gezongen (82), ‘De overblijfselen worden machtiger’ en komen aanlopen (18), de struiken vechten, de aarde baant zich een weg naar de afgrond (75). Dat creëert een hardnekkige destabilisatie van het veilige en het bekende, het schept een sfeer van onheil. Zoals hier:

Wanhoop
De  dageraad struikelt,
    wordt  bestookt
    door  de gemiddelde wanhoop.
  
    Men  sluit zich af,
    het  uitzicht is al opgeblazen, 
    daarom  is de ooghoek ver verwijderd.
    
    De  hemel begint te beven. 

Hier wordt de dageraad tot een lichaam, dat struikelen kan. De hemel wordt door het ‘beven’ getransformeerd tot een angstig wezen. Het uitzicht dat is opgeblazen doet denken aan een bomexplosie die de hele omgeving heeft verwoest. Het kan het beven van de hemel helpen begrijpen: wordt er een dreunend bombardement waarvan zelfs de hemel trilt voortgezet? De uitdrukking ‘iets zien uit een ooghoek’ wil zeggen dat je er niet direct naar kijkt maar zijdelings en vaak vanuit de verte. Maar nu het uitzicht is opgeblazen kan er niets meer worden gezien uit de ooghoek: ‘daarom is de ooghoek ver verwijderd’. Dat laat een tweede procedé zien dat Armando vaak inzet. Hij draait ruimtelijke verhoudingen om en zet de relatie tussen activiteit en inactiviteit op zijn kop. Normalerwijs beweegt niet de ooghoek, maar datgene wat je door de ooghoek ziet. Hier is de ooghoek zelf weggeblazen, met de mens die eraan vast zit. Het gedicht ‘Een schaduw’ begint met:

Eerst  sloeg het uurwerk de wijzers stuk, 
    zet  de deuren in de wind,
    de  gelederen op slot.
    het  huis zal nooit meer wonen.

Iemand kan een uurwerk stukslaan, maar hier slaat het uurwerk zichzelf stuk en komt nog drastischer tot leven: het zet de gelederen op slot – wat de vaste uitdrukking ‘gesloten gelederen’ letterlijk maakt. Deuren in de wind betekent dat de deuren openstaan, klapperend in de wind; de gelederen sluiten zich, de strijd begint. Iemand bewoont een huis, het huis is een ding, het is in onze normale beleving inactief, maar hier is het het huis zélf dat nooit meer zal wonen, bijvoorbeeld omdat het door een oorlog onbewoonbaar is geworden.

Maar Armando’s gedichten zijn ook altijd veel meer dan de optelsom van zulke procedés. Een enkele keer spreken ze direct:

Een  galg
    
    Ze  dachten we gaan de aarde beklimmen,
    we  gaan de dood verjagen, we
    zegenen  de regen, we
    brengen  stenen naar de stad. 
    
    Ze  zwoegden
    en  bouwden moeizaam een galg. 

Het plan om de dood te verjagen leidt tot precies het tegenovergestelde. De galg is een instrument van de dood, een oerbeeld van barbaarse terechtstelling. Vol goede voornemens om de wereld te veroveren brengen ‘ze’ – moeizaam ook nog – datgene tot stand waarvan ze zelf nog niet beseffen hoe gruwelijk het is. Het volgende gedicht bouwt daarop voort, alsof het ene gedicht het volgende oproept:

Voorbarig

    Ik  hoorde ze joelen,
    ze  dansten en lachten,
    het  roversnest werd geplunderd,
    men  gluurt naar voornemens, 
    schimmel  en een glimp:
    het  is voorbarig en voorbij. 

Het enige bezwaar dat je tegen de grootse somberheid van Armando zou kunnen inbrengen is dat hij er zo radicaal in is. Hij roept een tijdloze wereld op, in steeds wisselende beelden en toch steeds weer dezelfde, zonder enige mogelijkheid tot ontsnapping, zonder relativering, zonder humor. Hij laat bijna geen leven toe, zo hebben sommigen in onze jury wel verzucht, hij toont nergens twijfel of een gedachte die tegen zichzelf ingaat. De dichter lijkt een aan de wereld ontstegen instantie die de wereld hardnekkig voorhoudt hoe deze ervoor staat. Er zit geen enkele opening in Armando’s autoritaire pessimisme. Maar er zijn ook enkele kleinschaliger gedichten, waarin vaders, moeder en een ‘ik’ figureren, die over meer persoonlijke tragedies in het mensenleven handelen, zo brachten anderen daartegenin. En hebben we nu niet juist de poëzie voor het verwoorden van het onbevattelijke en onoplosbare? Moet poëzie niet juist een radicaal tegenwicht te bieden aan de oppervlakkigheid, aan het verdringen van het kwaad, aan de ontkenning van het feit dat het oorlogsgeweld in allerlei vormen gewoon doorgaat? Ja. Armando, zo meent deze jury daarom eenstemmig, brengt met grote consequentie een onverteerbare boodschap. Dat maakt zijn bundel Gedichten 2009 monumentaal, verpletterend, onontkoombaar en noodzakelijk. Prediker-achtig, Celan-achtig, Bachmann-achtig maar niet cynisch, vertegenwoordigt Armando een radicaal vreemde stem. Hij schrijft tragedies zonder catharsis. Hij schrijft de mythologie van de twintigste eeuw.

De jury van de VSB Poëzieprijs 2011

Maaike Meijer (voorzitter)
Wim Brands
Tom Sintobin
Johan Sonnenschein
Cin Windey


Portretten
: http://www.vsbpoezieprijs.nl/pers.php

Bekijk de reportage over de uitreiking van de VSB Poëzieprijs in het programma Morgen Gedichtendag op ntr.nl:http://player.omroep.nl/?aflID=12040720