NOMINATIES


H.H. TER BALKT, VOOR VLIEGTUIGMAGNEET - UITGEVERIJ DE BEZIGE BIJ AMSTERDAM, 2011

debuteerde als dichter met werk dat geworteld was in de landelijke boerse werkelijkheid van Oost-Nederland, zoals de titel Boerengedichten (1969) al meteen duidelijk maakte. Het landschap dat hij op dichterlijke wijze ontvouwde blijkt een constante in zijn inmiddels omvangrijke oeuvre. Net als de geschiedenis, de geschiedenis van de Lage Landen in het bijzonder. Op deze beide polen bouwt Ter Balkt een wervelend en meeslepend taalbouwwerk waarin rock ‘n roll, oud gereedschap, voedsel en gewassen, historische personen, machines, en niet te vergeten de rook van brandstapels, van de revolutie, de tabak en de industrieën in een overdonderend verband samenkomen. Naast die immense hoeveelheid voorvallen en voorwerpen die allemaal hun eigen geschiedenis aan de gedichten lenen, valt ook de grote verscheidenheid aan stemmen en stemmingen op. Ter Balkt schrijft gedichten als een donderpreek, maar ook als een idylle, een liefdesverklaring, een afdaling in het ongerijmde, een lied en een litanie. Opmerkelijk bij dat alles is dat het vele dat hem invalt en bezighoudt altijd bij elkaar wordt gebracht in een helder opgezet en homogeen gedicht. Er zijn maar weinig dichters die gedichten schrijven waarin zoveel gebeurt als in het werk van H.H. ter Balkt en nog minder dichters die dat op zo’n meeslepende, vitale en ongebonden manier doen.
Piet Gerbrandy schreef over Ter Balkts poëzie dat deze “wordt gekenmerkt door een in ons taalgebied zelden geëvenaarde vrijheid.” Hij constateert ook hoe geraffineerd Ter Balkt de werkelijkheid (de historische en de actuele) in zijn werk opneemt. Zelf schreef Ter Balkt daarover in De gedenatureerde delta (2007):  “Het gedicht is nooit autonoom. Het kan dat ook niet zijn, want het is van de wereld; niet van de onderwereld of uit de werkplaats van de vreugdeloze makers. Het zal in en van de wereld zijn of het zal niet zijn.” 
En in die wereld die per definitie veranderlijk is, is ook het werk van Ter Balkt aan verandering onderhevig. Hij herschrijft nogal eens de nodige gedichten. Dat wijst er niet op, zoals Gerbrandy in zijn proefschrift over het werk van Ter Balkt en Hamelink uiteenzet, dat de gedichten in hun gepubliceerde vorm niet goed genoeg zijn, maar dat ze gezien moeten worden als onderdeel van het historisch proces dat ze zelf becommentariëren.
Zoals Ter Balkt in het gedicht Hakselmachines op de horizon, uit zijn laatste voor de VSB Poëzieprijs genomineerde bundel Viegtuigmagneet zegt: “Op de horizon herkauwen onmerkbaar hakselmachines wat hun invalt.” 
Om na sublieme zinnen en beelden over veranderlijkheid en stilstand te besluiten met: “Als gesternte straalt / wat blijvend moet zijn, in de wereld en ons.”

H.H. ter Balkt ontving twee belangrijke oeuvreprijzen: de Constantijn Huygensprijs in 1998 en de P.C. Hooftprijs in 2003. H.H. ter Balkt schreef o.a. de bundels:

Boerengedichten (1969)
Uier van ‘t oosten (1970)
Hemellichten (1983)
Aardes deuren (1987)
In de kalkbranderij van het absolute (1990)
Ode aan de Grote Kiezelwal (1992)
De Waterwingebieden : gedichten 1953 - 1999 (2000)
Laaglandse hymnen (2003)
Anti-canto’s en De Astatica (2004)
Vuur (2008)
Vliegtuigmagneet (2011)  

 

Het werk van H.H. ter Balkt wordt uitgegeven door De Bezige Bij.

H.H. ter Balkt gromt en spuwt, fluistert en zingt als een visionair met beide voeten stevig in de klei van de polder en in de geschiedenis. De dichter is eigenzinnig en open, erudiet en speels. Zijn beelden functioneren zowel op een concrete als op een verwijzende manier, waardoor beelden uit de werkelijkheid en wat deze oproepen elkaar uitdagen. Zoals een vliegtuigmagneet lonkt en zich verwijdert, staan de gedichten onder een voortdurende spanning van aantrekken en afstoten. 

audiofragment: SINGRAVEN

Voor Anouchka en René Notenboom

St. Albans ‘Grand Steeple Chase’ jacht hier binnen
onder andere bomen dan de levende
aan Singravens water, en in ’t herfstig bos.
Het is niet achttientweeëndertig en niet maart.

Lampje met zeven koperen korenaren
gesmeed in de rococo eeuw en van koper
zijn bloemen, heeft geen flauw benul van de stuifzwam
die watervlugge zwermen wielrenners uitstoot.

’t Licht verbitterde craquelé van het jaar
siddert door de wolk, het kroos; de herfsttijlozen.
Leve de zwanenvluchten, leve de beken.

Het watermolenrad kreunt als houten treden.
Hopbellen bleek groengeel als de achttiende eeuw.
Septemberregen wist straks vredig het zicht uit.