NOMINATIES


MENNO WIGMAN, VOOR MIJN NAAM IS LEGIOEN - UITGEVERIJ PROMETHEUS, 2012

debuteerde in 1997 met de bundel ’s Zomers stinken alle steden, waarmee hij zichzelf meteen presenteerde als poète maudit, beïnvloed door dichters als Baudelaire, Gotfried Benn en Oscar Wilde. De toon die deze ‘dandy van de desillusie’ in zijn debuut zette, werkte hij uit in latere bundels. Het zijn gedichten die enerzijds teruggrijpen op historische helden en literaire grootheden, anderzijds alledaagse zaken opvoeren, zoals warenhuizen en hamburgertenten. Zelf zegt Wigman het liefst gedichten te willen schrijven die zich als stiletto in het hart van de lezer omdraaien. Het verwoordt de kern van Wigman’s themathiek: letterlijk een mes in een stuk vlees, figuurlijk de liefde en het lijden. Anders dan veel generatiegenoten kiest Wigman er echter voor geen nieuwe vormen te ontwikkelen maar klassieke vormen te ontstoffen. In die vorm wordt ook de invloed van muziek op het werk van de voormalige punkrocker zichtbaar: de gedichten zijn vaak metrisch geordend, bevatten een sterk ritme en veel rijm.
Na zijn debuut verschenen nog de bundels Zwart als kaviaar, die bekroond werd met de Jan Campertprijs, Dit is mijn dag en de Gedichtendagbundel De wereld bij avond. In 2009 publiceerde Wigman een selectie uit zijn werk in De droefenis van copyrettes, en in 2010 verscheen een bundel essays over poëzie in Red ons van de dichters. Behalve dichter is Menno Wigman vertaler en bloemlezer, en publiceerde hij met Het gesticht een bundeling dagboekfragmenten en notities. In januari 2012, de maand waarin Menno Wigman stadsdichter van Amsterdam werd, verscheen Mijn naam is Legioen. De bundel beleefde in de eerste maand al haar vierde druk en werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.
De moedeloosheid die uit het werk van Wigman blijkt is al zichtbaar in het openingsgedicht in Wigman’s tweede bundel Zwart als kaviaar, waarin wordt gesteld: ’sinds een maand /of drie geloof ik meer en meer dat poëzie /geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte /die je met een handvol hopeloze idioten deelt.’ Over zijn laatste bundel merkte Guus Middag op: “Wigman wil stem geven aan wat er in hem leeft, maar hij wil zichzelf ook ontvluchten.[...] Er zit iets van waanzin bij, en van bezetenheid, en van een aanraking door het hogere – en van zelfspot. Hij is nog van poëzie te genezen, als hij de ware maar tegenkomt.”

Menno Wigman schreef de poëziebundels:

’s Zomers stinken alle steden (1997
Zwart als kaviaar (2001)
Dit is mijn dag (2004)
De droefenis van de copyrettes (2009)
Mijn naam is legioen (2012)

Het werk van Menno Wigman wordt uitgegeven door Prometheus, Amsterdam

 

 

In een kritische terugblik op de beginjaren van onze eeuw evoceert Wigman herkenbare plaatsen en momenten die spreken van decadentie en dood. Ongenadig ontmaskert de dichter de desillusie van het fenomeen mens en spreekt hij zijn pessimisme en boosheid uit in ontluisterende gedichten, die dan weer welluidend klinken in hun haast klassieke, vormvaste verzen met een bezwerend ritme. Tegelijk boeit deze niet altijd prettige bundel door zijn enorme vitaliteit en zijn charmerende lichtvoetigheid. Uit die tegenstellingen spreekt een uitzonderlijke kracht.

audiofragment: Kamer 421 

Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels                 
en geen daarvan die zijn verwekker kent.     

Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.  
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.

Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent.

Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.