NOMINATIES


ALFRED SCHAFFER - MENS DIER DING

Onrust. Angst. Achterdocht. Nieuwsgierigheid. Dit was het antwoord dat Alfred Schaffer ooit gaf op de vraag wat hem motiveerde als dichter. Dat valt goed te begrijpen als je naar zijn werk kijkt. Schaffer mag dan wel graag een laconiek terzijde plaatsen in zijn soms observerende, dan weer inlevende zinnen, maar wat domineert is een herkenbare maar ongrijpbare werkelijkheid, een aaneenschakeling van scènes die op zijn minst verontrustend zijn.

De onrust en de soms merkwaardige stapelingen zijn niet verdwenen in zijn laatste werk, maar er is wel iets veranderd. In Mens Dier Ding werpt Schaffer een nieuw licht op het leven en de gedachten van Shaka Zulu, de negentiende-eeuwse Zuid-Afrikaanse staatsman en tiran (1787-1828). De bundel beweegt zich geheel rond de biografie van deze Shaka Zulu, zonder ook maar een moment op feitelijke biografische beschrijvingen uit te komen. Wat we krijgen zijn dagdromen en beschrijvingen van voorvallen die alleen al doordat ze zijn doorspekt met elementen uit ons huidige tijd, van auto’s tot mediagekte, van mobiele telefoons tot speeddating, de biografische feitelijkheid ver te boven gaan. Schaffer speelt een ingenieus spel met de tijd en de herinnering en het perspectief van de dictator Sjaka. Hij maakt (zoals Erik Lindner schreef) van de psychopaat een dichter, van de verliezer een held. Een tragische held wel te verstaan. Een die mysterieus kan raaskallen maar ook stil en kwetsbaar kan zijn.

Schaffers poëzie is levendige poëzie. En zoals Thomas Vaessens eerder opmerkte: ‘De levendigheid van deze poëzie zit 'm niet in de oorspronkelijkheid van de taal - die is bij Schaffer eerder gewoontjes - maar in de soms bijna absurde opeenstapeling van beelden en observaties die in geen enkele reële ruimte naast elkaar kunnen bestaan, behalve in de ruimte van het gedicht. Vaak heeft dit een bijzonder geestig effect. In het onsamenhangend ogende bombardement van observaties schuilt op een indirecte manier ook het engagement van deze poëzie.

Schaffers gedichten werken als films die ons van het ene naar het ander shot voeren en juist in die fragmentatie de onderliggende menselijke werdegang al te duidelijk maken.

'Het is niet mijn bedoeling om te werken aan een lijn van coherente gedachte in een gedicht,' zei Schaffer daar al eens over. 'Het leven zelf is niet coherent, en mijn poëzie brengt dat  tot uitdrukking’. Waarmee zijn poëzie ook aansluit bij wat we allemaal doen om het leven te begrijpen; het vinden van een taal om over dat leven na te denken en erover te praten in de hoop dat het begrip ons al pratende ten deel valt.

De jury van de VSB Poëzieprijs prees de indringende wijze waarop in deze bundel fenomenen als ‘macht’, ‘geweld’, ‘roes’ en ‘mythe’ onderzocht worden. ‘Schaffer toont aan dat de schotten tussen mens, dier en ding, maar ook die tussen literaire genres, vaak flinterdun zijn. Duizelingwekkende beelden zorgen daarbij op elke bladzijde voor taalvuurwerk.’ 

 

Alfred Schaffer leest (dag)droom #526

 

dag(droom) # 526

 

 

Deze kale ruimte die ik met munitie voor een week doorkruiste.

Hier werd ik aan een truck gehaakt

terwijl ik luid de eerste regels van het volkslied zong.

Alleen de eerste regels, om de melodie.

Hier leerde ik een dier te slachten

alle ingewanden in een jutezak en dan de fik erin.

Hier was wie slimmer dan de dood dan wie.

Fietsen, slootjespringen en hier plasten zeven kinderen

over mij heen en ik bleef liggen tot ik weer kon staan

hier rende ik een zomeravond door de tuin

achter haar aan – of ze moest lachen, al dat lage licht.

Als ik niet oppas doe ik heel voorzichtig één stap achteruit

en nog een stap en stap voor stap

stap ik bij mij vandaan. Pas als ik ver genoeg ben

en mij niet meer hoor draai ik me om

begin te rennen als een gek.

Wat is het stil vandaag.

Zo stil als een bos in de winter.

Zo stil als een vogel, hoog in de lucht.

Zo stil als een walvis die slaapt. 

 

Alfred Schaffer leest (dag)droom #99

 

dag(droom) # 99

 

 

Ik zit geloof ik te knoeien.
Ik krijg mijn lepel niet goed naar mijn mond
maar de bewaking heeft geduld
ook met mijn hond, hij bijt haast nooit.
Ik zou hem een naam moeten geven.

Ik heb niets meer te melden na vannacht.
Niemand zit te wachten op slecht nieuws dus
ik vertrek geen spier, ik knipper niet eens met mijn ogen.
Wat een verdriet, in de wijde omtrek

niets dan mijnen en graven.
Ben ik hier nieuw dan is er iets met mijn geheugen of
ik lette niet op Ë
wat zich voordoet in de geest en wat zich afspeelt daarbuiten.
Mijn armen jeuken, ik ruik mezelf heel erg.
Dan ben ik voor, dan ben ik tegen
en om de zoveel tijd geef ik een knikje met mijn hoofd
puur voor de vorm.

Een knikje is genoeg.
Ik heb sowieso maar weinig te zeggen.
Ha-ha-hal-lo me-me-mijn na-naam i-i-i-i-is.
Verder kom ik niet.
 

 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

 

Luister naar dit gedicht:

 

dag(droom) # 5.106

 

De klassieke shoot-out.

En dat met zoveel concurrentie

niet normaal, mijn ballen tintelen ervan.

Aan de ene kant sta ik en aan de andere kant

daar sta ik ook, maar dan de uitgelekte en verkouden versie.

De albinosmurf die uit De Smurfen werd geknipt

en uit ik weet niet wat.

De spanning knettert als de brand in een papierfabriek.

Ik kijk nog een keer heel precies –

wat ben ik dik geworden, allemachtig, stevig sta ik niet.

Als een dictator op sterk water.

Tussen ons een mateloze vlakte, een betonnen poolgebied.

Eigenlijk gewoon een mix van zand en gras

niet groter dan de achtertuin waarin ik vroeger lag.

Ik zie me denken maar dat ís mijn lichaam niet

dat bén ik niet, nooit zou ik naar mijn vestzak tasten

om mijn mondharmonica te pakken

en een onverstandig deuntje te gaan fluiten. 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~