NOMINATIES


HESTER KNIBBE - ARCHAISCH DE DIEREN

Hester Knibbe weet in haar bundel Archaïsch de dieren twee van haar grote poëtische troeven op een nog hoger plan te brengen dan bij haar vorige bundels al het geval was: een origineel en actueel gebruik van het denken en van de mythes uit de antieke oudheid en het oude testament en een sterk inlevende psychologie.

In de personages die Hester Knibbe in haar gedichten opvoert komen reflectie en het alledaagse tobben en moeten op een prachtige manier bij elkaar. Er gebeurt veel waar niet om gevraagd is, wat soms beklemt of tot dieper denken aanleiding geeft, maar hoe dan ook nooit tot stilstand leidt. Een mens moet verder en dat besef klinkt in veel van Knibbe’s gedichten door. Knibbe kiest in deze bundel niet voor een romantische visie op de mens en de mensheid, maar opteert ervoor, zoals Dick de Geest in de Leeswolf helder verwoordt ‘de antieke tragiek ernstig te nemen en te zien als een model voor wat de mens bezielt: alle heil is daardoor maar gedeeltelijk, en ieder mens belichaamt onmiskenbaar ook onrecht. De waarheid krijgt zo iets ondraaglijks. Tegelijk ligt echter in de aanvaarding van dat onvolkomene ook een grote geruststelling en een rechtstreeks engagement: de liefde en de inzet blijven in deze bundel overeind.’

Ook verleden en toekomst komen fraai samen in deze bundel. De cyclus ‘Thebe’ is wat dat betreft exemplarisch. In de aantekeningen achteraan in de bundel vermeldt Knibbe dat Oropos bij Thebe vroeger een kuuroord was waar zieken naartoe kwamen om via allerlei rituelen genezing te vinden. Ze moesten de nacht doorbrengen in de huid van een geslachte geit. Aan de hand van hun dromen werd dan door het orakel bepaald welke geneeswijze op hen moest worden toegepast. Het besef van de aard en impact van die antieke rituelen vermengt zich met het verlies dat evenzeer op herstel of genezing wacht en rituelen of ritueel denken nodig heeft om bij die genezing in de buurt te komen, wetend dat het verlies niet ongedaan gemaakt kan worden: ‘..Houd die / schreeuw voor een dubbele spiegel, noteer /wat je ziet aan beschadigingen, zoek / een mes en godhebbe-plamuur, dicht / wat barsten kleinzeer maar laat / vergroeiingen zitten. Stap dan uit / de last van het weerloos gevilde, was / het bloed van je handen, prijs / vol vertrouwen de nieuwe dag en zwaai / naar de mannen die aarde versjouwen.

Sinds de reeks ‘Antidood’ in haar bundel Een dunne duurzaamheid (1999) schrijft Hester Knibbe op een mooie poëtische en aangrijpende manier over de relatie van moeder en zoon, en de dood die daar tussen kan komen. Ook deze bundel laat daar bijzondere en intense voorbeelden van zien, zoals in ‘Pro Domo’: ‘Onze fout? Dat we bestonden / uit lichaam, honger hadden, onze dorst / verdronken. We hadden enkel / lucht moeten zijn die je uitblaast en dat / werden we ook tenslotte.’

De jury van de VSB Poëzieprijs prijst de wijze waarop Knibbe de rituelen in kaart brengt waarmee we onze kwetsbaarheid trachten te bezweren en de wereld vergeefs trachten in te dammen. ‘De actualiteit krijgt een existentiële lading in een context van antieke en Bijbelse verwijzingen. Bij Knibbe zijn die nooit koket, maar altijd functioneel. De mythische geschiedenis geeft zin aan de menselijke worsteling met angst en schaamte.’

Hester Knibbe leest ‘Ja’

         Ja


Liefde, ja er zit altijd een lichaam aan vast
en dat maakt het en maakt het, maakt het

soms lastig. Maar het geeft niet, we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.

Natuurlijk, voorbodes kruipen onder de huid, dansen
mee als je danst, rennen mee als je rent, hangen

ook op de bank, zitten daar en later gaat Haper
aan de haal met je dromen, teistert een winter
de oude rivier die wil stromen. Maar het

geeft niet en de sfinx die ons het raadsel
opgeeft wie van wie het meest is niks.

om je druk over te maken, we houden elkaar gewoon
bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen.

 

Heste Knibbe leest ‘Laten we de oude …’

Laten we de oude

brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen zien opgaan maar schaamteloos

hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o wat hebben we -
                Laten we

straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.
                Laten we

daar eten drinken en geven

de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.

Hester Knibbe, uit de bundel ‘Archaïsch de dieren’,
genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2015

 

Luister naar dit gedicht:

Ik neem de hersens de tong en de wangen,

zei eentje, maar het hart gooi ik weg.

Wij zwegen onthutst, liepen de rest
van het lijf na, deelden ons verder niet

mee. Gingen de volgende ochtend de berg op
om voedsel te zoeken, vonden oneetbaar.

Toen hebben we een onschuld geslacht.
We lieten hersens tong en wangen
intact, namen het hart.