NOMINATIES


PETER VERHELST - WIJ TOTALE VLAM

Het grote gebaar, een zekere radicaliteit, lichamelijkheid, het zijn constanten in het werk van Peter Verhelst, maar met Wij totale vlam, zijn nieuwste met een haast typische Verhelsttitel getooide bundel, voegt hij kwetsbaarheid en lichtheid aan zijn poëzie toe.

Vergankelijkheid is misschien wel het meest centrale thema van deze bundel. Dat was vaker het geval bij Peter Verhelst, maar dat toonde zich eerder harder, meedogenlozer en onafwendbaarder. Er ging een zekere begeerlijkheid van uit, als een verlossing bij de gratie van destructie. In Wij Totale vlam wordt de vergankelijkheid eerder sereen, licht en intiem geduid. Zoals in de fraaie afdeling ‘Blijf’ waarin Verhelst opvallend teder vooruitblikt naar het verlies van een geliefde en naar het door haar gevoelde verlies. ‘Net als je dacht te weten hoe iets te gebruiken, ging het stuk.’ Of als in het lange gedicht ‘…nooit was en zal zijn’, waarin Verhelst – zoals Paul Demets zo treffend verwoordde - via allerlei flarden van herinneringen een poging onderneemt om dat ene moment van epifanie te vatten, dat tegelijk een verlangen naar vergankelijkheid is:‘Het zich traag sluitende ooglid van/ Het walmen van verlangen naar verlangen naar/ Vormen van verlies in een eindeloze zucht.’ Met een geliefde kun je nooit samenvallen, maar met jezelf is dat ook verre van eenvoudig, laat Verhelst zien.

Het is een vorm van onvolkomenheid, van tekort schieten die het leven in vele situaties kenmerkt. Verhelst verwoordt de aanknopingspunten die mensen in onzekerheid zoeken om iets van grip op de wereld te krijgen. In de cyclus De vraagstukken van de maan neemt Verhelst de theorie dat de maanlanding nooit heeft plaatsgevonden maar in scene is gezet als uitgangspunt: ‘… Hoe kan onze vlag op de filmbeelden wapperen als er geen wind is op de maan? / Het kan een droom zijn geweest – / gips wordt over de kamer uitgesmeerd, (in slow motion) / heuveltjes, kraters, rivierbeddingen, een voetafdruk aangebracht / en daarna omhangen die handen stokken met flarden katoen, / dozen op hoge poten, en dan opnieuw kraters – en opnieuw emmers vol gips’

De maan, die zich almaar verder weg beweegt van de aarde – ‘vier centimeter per jaar’ – belichaamt in Wij totale vlamhet ultieme, onoplosbare verlangen naar een ijkpunt, ‘de precieze minuut’ waarop ‘het is begonnen’, de ‘totale vlam’ van de oerknal. Net als het wegdrijvende spookeiland Sandy uit de dichtreeks ‘Blauwe kajak / Eiland Sandy’ vormt de maan een fundamenteel onbereikbaar oord. Wij totale vlamraakt daarmee aan een existentieel vraagstuk, maar evengoed aan een zeer literaire problematiek, de onmogelijkheid om de werkelijkheid in taal te vatten. ‘Hoewel we weten dat vergeten een voorteken is van het einde / hebben we straks geen woorden meer voor het einde.’

De jury van de VSB Poëzieprijs prijst de grootse en lyrische poging van Peter Verhelst om het nu en de eeuwigheid te begrijpen, te benaderen en te beschrijven. ‘Intussen vlamt door de bundel het herhaalde verlangen naar schoonheid van het moment, tegen het vergeten van de tedere dingen. Peter Verhelst bewijst met Wij totale vlam opnieuw zijn zeldzame talent om het Nederlands te laten zingen.’

Peter Verhelst leest ‘Ik ben blij dat je’

 

                Ik ben blij dat je


We hebben alles achtergelaten, we voelen voor het eerst sinds lang iets,
we gaan in de vlakte zwemmen, ja, laat ons duiken
en daarna ga je op je rug liggen op het rotsblok met je ogen wijdopen.

Ik dacht, het was sterker dan ikzelf, wat als er toch niets,
wat als er niemand uit een andere ruimte of tijd, wat als ik wakker word
en merk dat jij er niet langer, wat als uiteindelijk helemaal niets?

Alsof je je meer laat zakken drijf je op je rug, wijd open. Je vingers bewegen.

het kan toch niet dat dit …

Je vingers bewegen. Je ligt diep op de bodem en uit je mond komt, van zo diep komt
het uit je, heel traag.
Ik dacht, ik kon niet anders, als ze maar nooit … Als ik maar ooit

iets kan worden van wat je wilt. Van zo diep komt het uit je ooghoeken
en uit je mondhoeken en uit je onderrug,
uit je buik. Je vingertoppen bewegen. Je brekende ogen.

Wil je dat altijd voor me blijven doen, die brekende ogen?
En die vingers.

Jij kijkt, leunend op je ellenbogen, wijd open, glimlachend, blijf
zo kijken,
alsof je uit een pop (nat nog) een vlinder ziet kruipen.

 

Peter Verhelst leest ‘Tegen het vergeten’

                Tegen het vergeten


Niet hoe je was, hoe je op je ellenbogen achterover leunend, zo bleek was je,
hoe we keken – niet vergeten,
niet het zich zuchtend openvouwen – nooit vergeten,
niet hoe het had kunnen zijn, hoe we hadden willen zijn.

Wat van ons verloren is gegaan.
Wie van ons verloren ging.
Laten we ons elkaar zo herinneren
voor de herinneringen dingen met ons doen:

een dunne lijn rood, gloeiend in de avondlucht,
hoe we, op onze ellenbogen achterover leunend, naar elkaar keken,
een fonkeling in het wachten, een nauwelijks hoorbare zucht.

Wit
oplossend als suiker
in het vallende duister.

De echo van je zucht.

De echo van de echo van je zucht.

 

 

Luister naar dit gedicht:

      Vandaag zie je er …


Vandaag zie je er zo merkwaardig gaaf uit.
die glimlach van je
alsof een parkiet over je gezicht klimt.

Voor het eerst in jaren beweegt het  kogelgewricht weer, de kop
wentelt weer in de kom, de pezen van de lach
spannen zich weer op, terwijl je zegt: weet je nog,
we lagen op een rots over de inham uit te kijken en we wisten
dat het nooit mooier kon worden dan dit

en daarna keken we in de zon.
Schepen voeren voorbij, alsof ze een berg wilden verplaatsen.
ik nam je gezicht vast zoals je handen rond de kop legt
van een hond en met je duimen de ooghoeken naar achteren
en het fluweel van de oren in glansrichting streelt.

Ben je gelukkig nu?

Op de rots krult de hond zich nog op, zijn poten
onder zijn lichaam gevouwen, de neus tegen zijn staart. Kijk
hoe hij trilt op de rots als de schaduw van een hijgend boompje.

Zo’n zonde dat we nooit echt de tijd hebben genomen om …