NOMINATIES


PIET GERBRANDY - VLINDERSLAG

In een afwisseling van stemmen, helder gerangschikt over de pagina’s, brengt Gerbrandy verschillende gedachten bij elkaar. De poëzie in Vlinderslag gaat over de liefde en het verlangen, de benaderbaarheid en de ongrijpbaarheid van de ander, maar ook over de poëzie zelf, de plaats en betekenis ervan in ons huidig tijdsgewricht en over de wonderlijke en verontrustende verschijningsvormen van de ons omringende maatschappij. Dat laatste niet zelden scherp verwoord in zinnen als ´…zelfs vettige oosterburen met laagste iq´s ziet men wel knipperen´ of ´Ik heb met baarden in jurken op hoekige paden – gewandeld hun bidden beluisterd – hun scheurend uitbundige eerbied.´

De stemmen die om beurten aan bod komen zijn niet helemaal verschillend. De vertellende en beschouwende toon die uit de prozagedichten spreekt die op de linkerpagina’s van de bundel staan afgedrukt, is analytischer en ingetogener dan die van de lyrische vrije verzen die op de rechterpagina’s staan, maar in de manier waarop beide stemmen zich over de wereld uitlaten klinkt een zelfde observerende en besliste geest door. Die besliste toon is vooral te lezen in de derde stem, de commentaarstem die in de cursief gezette regels onder aan de pagina gemeenplaatsen debiteert zoals we die kennen uit persberichten, reclamefolders en beleidsmakersproza. Met deze drie tekstvormen brengt Gerbrandy scherpe contrasten in de bundel aan, zonder de verbondenheid die uit die teksten spreekt kwijt te raken.

In de prozagedichten tekent zich een verhaallijn af. Een man onderneemt een fietstocht en volgt daarbij, zo lijkt het, een vrouw. Hij brengt een nacht door in een hotelkamer waar de vrouw hem misschien bezoekt. De ik is vervolgens met de vrouw samen bij een natuurzwembad, maar ook dat duurt slechts even. In de treinreis die volgt is de ik weer alleen, om de vrouw tenslotte weer te zien aan een strand, waar ze de zee in loopt.

De ik die in de gedichten aan het woord is zoekt in de dingen die hij waarneemt betekenis en richting, maar is zich steeds bewust van de vergeefsheid daarvan, of het verlies dat er mee gepaard kan gaan. ‘Willen we een uitsparing in het zijnde zijn dan is erin opgaan verkeerd. Om je lief te kunnen hebben moet ik je op afstand houden. En ieder woord zou belachelijk zijn. Je een naam toekennen zou zelfs fataal kunnen zijn.’

Dat onbestemd houden van veel wat zich aan ons voordoet en tegelijkertijd houvast vinden in de onophoudelijke stroom van indrukken, gewaarwordingen en gedachten, is het dilemma waar de ik voortdurend mee in de weer is. Gerbrandy´s Vlinderslag brengt dit dilemma ook op het niveau van het denken over de poëzie als genre, fraai uitgewerkt in de door hem bezorgde en vertaalde laat-antieke dialoog toegeschreven aan Macrobius Ambrosius Theodosius. Gedichten zijn er niet om behaaglijk van te genieten maar om de lezer wakker te schudden. Ze dienen de vurige onderstroom van het leven aan het licht te brengen, 'tot op de bodem kijken, waar kolkend water uit spleten opborrelt'. In de dialoog stelt Claudianus: ‘Het is de taak van de dichter die duisternis aan het licht te brengen, maar dan zo dat ze hanteerbaar blijft. Zonder koele vorm werkt het vuur uit de afgrond verlammend.’ Gerbrandy heeft dat vuur en de koele vorm in intrigerende gedichten uitgewerkt. De taal die daarbij hoort en het verhaal dat in die taal wordt gesuggereerd zijn aansprekende voorbeelden van beide, koel in de formulering, maar vurig in de geest die eruit spreekt.

Deze poëzie lezen is, zoals de jury van de VSB Poëzieprijs opmerkte, een feest door de humor en het vernuft waarmee de dichter te werk gaat, en ook door de zoektocht naar zin, van 'vorm op zoek naar vrijheid of bestendiging'.

Piet Gerbrandy leest ‘Wat maakt billen zo weerloos …’

Wat maakt billen zo weerloos. Dat zij ze zelf niet ziet. Dat zij geen invloed heeft op de wijze waarop ze bewegen. De onbeholpenheid ervan. Hun weekheid behoeft koestering.

Zo vlak en weids als dit land is. De uitgestrektheid wordt hier en daar onderbroken door een hek een paar meidoorns of wilgen. Sloten voor het ritme. In de verte een klein romaans kerkje op een terp met bomen eromheen waaronder zich een kerkhof doet vermoeden. Misschien ben jij daar tegen een grafsteen gaan zitten om voor de wind te schuilen. Je bent het kerkje ingelopen op een van de harde banken gaan liggen met je rechterhand tussen je benen. Je kijkt naar de balken van de zoldering.

Oudheden maken plat land pittoresk.

 

Piet Gerbrandy leest ‘Naast wie ontbreekt slaapt het lekker …’

Naast wie ontbreekt slaapt het lekker
                maar kort want je tast naar een stilte
                               die wakkerder maakt dan verstoring.

Het maar damt meren af om stroom te stuwen.

Je zult je avonduren met kelken duvel killen
                krassen in je nachtboek
                zwelgen in teringherrie
                sjorren aan de lijnen van je mast.

Waar zij zich bevindt ligt open
                speculeer maar opper potentiële locaties.
Waar zij zich bevindt neemt men nimmer
                vijgblad want niet voorhanden voor monden.

Aan kalmer water ontbinden grazig de herders.
In donkerder bedstee blijft een kussen bollen.

Vuurtorens draaien opgewekt
                op kracht uit verre bovenloopcentrales.
maar geven geen licht waar het moest.

Stormstilte is niet bevorderlijk voor nachtrust

 

Luister naar dit gedicht:

Het meisje tegenover mij heeft haar apparatuur uitgeschakeld
maar de dopjes in haar oren laten zitten. Kort kijkt ze me aan met
een flauwe glimlach alsof ze iets herkent maar direct wendt ze
haar blik af naar buiten. Ze heeft me niet gezien. Ze bevond zich
al op de drempel. Onder haar hals bloeit een blos op als wordt ze
ineens iets gewaar dat er ongezien al enige tijd moet zijn geweest.
Dat kijken zien wordt is niet vanzelfsprekend. Je moet er een blik
voor uitschakelen.

De alomtegenwoordigheid van muziek valt niet meer uit te bannen.