NOMINATIES


SASJA JANSSEN - IK TREK MIJN SPECIES AAN

Sasja Janssens bundel Ik trek mijn species aan’ opent met een motto ontleend aan W.F. Hermans en komt uit Nooit meer slapen: 'dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben'. Als het ik zo weinig voorstelt, is het denkbaar eerder voor ‘het species’ te kiezen. Dat doet Sasja Janssen ook, maar wel op een eigenzinnige individuele manier. Juist in de manier waarop ze het ik omzeilt door het onbestemde ontstaan van het leven stem te geven en door de alomtegenwoordige seksualiteit een haast op zichzelf staande aanwezigheid te laten zijn, wordt de lezer voortdurend geconfronteerd met het begrip ik en met het ik van de dichter als schepper van zijn of haar poëzie. ‘Ik trok daarna mijn species uit, om te zien of ik leeg was / om te zien of ik dat durfde, de bloedeloosheid ik durfde. / De anderen loerden naar hoe ik was, dat er niets van me / overbleef, moest er wat overblijven van mij of iets?’.  Dit gedicht uit de titelreeks is een scherp en ontnuchterend commentaar op de gemeenplaats dat de dichter zichzelf uitdrukt in zijn poëzie en dat lezers naar die dichter, naar de persoon van vlees en bloed die de dichter ook is, zitten te zoeken.

Rutger Cornets de Groot merkt in dit kader op dat bij Sasja Janssen in moderne vorm iets terugkeert ‘van het aloude begrip ‘persoonlijkheid’, dat ooit een criterium was voor de waarde van literatuur. Er werd het vermogen van een auteur onder verstaan om tegenstellingen in zich te verenigen en niet alleen te zijn wie hij was, maar ook wie hij niet was, of wie hij worden kon. De dichter valt dan niet samen met wie hij is, maar hoeft van zichzelf ook geen afstand te doen.’ Zoals Janssen schrijft in het eerste gedicht van de cyclus ’Omdat ik reizen moet’: ‘Ik draag mee mijn grenzeloosheid als wapen / mijn bloed tegen koortsen en knokkelangst / ontelbare landkaarten zodat ik weet waar ik niet moet zijn/’

Deze bundel heeft het geweld en de energie van Bijbelboeken. ‘Toch het begint’ lijkt  Genesis en Apocalyps tegelijkertijd, waarin zowel het uitdijen van de mensheid in gang gezet wordt als het bederf van de aarde wordt aangekondigd: ‘In het voorlaatste wachtte iemand wachtte / en zagen de mensen stijve hemels, apennachten uit feromonen / de hel losjes om de hals / spikkels vielen van vogels, quarks werden zwaar zo zwaar / melk droop van de akkers, meisjes dansten in borsten, dansen / derwisj gelijk, om maar wat te noemen, iemand gaf geen namen meer.’ Probeer in die uiteenvallende werkelijkheid het ik maar eens te behouden en een nieuwe coherentie te vinden. Eén middel om samenhang te zoeken, is de taal: ‘we praten onze botten graag bij elkaar’, zegt Sasja Janssen in het derde gedicht uit de cyclus ‘Toch het begint’, maar in het slotgedicht wordt de waarde ervan betwist: ‘Ssst, praten is voer voor de waan.’

Met zoveel woorden de betrekkelijkheid van woorden bezingen en daar indringende poëzie van maken is een kunst op zich. ‘Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee / moeten ophouden, de rampen dampen van onze gist // door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke / het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals. // We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.’

Een uitdagend beklijvende bundel noemt de jury van de VSB Poëzieprijs Sasja Janssens Ik trek mijn species aan. ‘In een fabelachtig echt spel tussen begin en einde en alles daartussenin, worden soorten van mensen geboren die vervolgens trachten te overleven. Misschien is seksualiteit de enige houvast, of in elk geval een benadering van identiteit. Zonder de soortnaam vrouw, is er geen beginnen aan.’

Sasja Janssen leest ‘De steken’

De zomer was stuk en ik bracht mijn zonden
naar de kleermaker, ik twijfelde
ijzergaren of rijggaren, hij hielp mij niet, ik had schuld
hoe kon hij zoiets vergeten.

De kleermaker pakte mijn zonden uit, in het kale licht
kronkelden ze tot ik medelijden met ze kreeg
net zoals met de varens die zichzelf van kant maakten
net zoals met jou in het woud van Aokigahara.

Het sneeuwde geel en overspel kon niet worden geregen
maar vervilt met heet water, zeep, azijn, zijn viltnaald
in mijn geil, deze man kort, zijn geheugen bot
prees splijtsteken, festonsteken, bladsteken
voor wat door en door was, de naden verduveld.

Achter zijn gordijn van kralen kleedde ik me uit
voor mijn zonden me weer te grazen namen
en daar waar
mijn jurk om me heen viel in een kring
van mishandeld katoen
stak hij met grote halen door mijn vlees
de zomen van mijn geslacht
in elkaar gedraaid als te heet gewassen wol.

 

Sasja Janssen leest ‘Ze laat achter …’

Ze laat achter een ijswit mannenhemd aan een spijker
een trui die smerig grijs mijn navel dreigt, schoenen voor
aan een blote wreef, de kalkmuur een aalmoes, voor straks alleen.

Komt vertrek zeggen, kijk, dag dag nirwana, waarom dan
zich een laatste keer laten dekken als een tafel zonder gast, een likkepot
voor op het linnen?

Ze spreidt naar het kleine kleinere aanminnigste allerbinnenste
waar ik zie hoe verlaten ik ben.

 

Luister naar dit gedicht:


Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee
moeten ophouden, de ramen dampen van onze gist

door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke
het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals.

We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.